werkwoorden

 

Genereer nieuwe oefening

Tegenwoordige tijd
 
 
1. Onze uitgaven (stijgen) .................... behoorlijk.
 
2. (aanstellen) .................... je toch niet zo .................... !
 
3. Het (ruiken) .................... hier naar pannenkoeken.
 
4. Deze machine (haperen) .................... regelmatig.
5. De toeristen (betalen) .................... de ansichtkaarten.
6. Veel oude mensen (rusten) .................... tussen de middag.
7. De vrouw (bereiken) .................... haar doel spoedig.
8. Politici (streven) .................... naar veel stemmen.
9. Mark (snijden) .................... zich bij het schillen van een appel.
10. (fietsen) .................... jullie naar Texel?